Categorieën
Interview met gast Seizoen 13

259. Hoe betrouwbaar is sportwetenschap eigenlijk?

In deze aflevering bespreken we met hoogleraar Florentina Hettinga de betrouwbaarheid van sportwetenschap: waarom spectaculaire claims vaak minder hard blijken dan ze klinken, wat de replicatiecrisis precies betekent en hoe je zelf de zin van de onzin herkent.

Home » Afleveringen » Seizoen 13 » 259. Hoe betrouwbaar is sportwetenschap eigenlijk?

Dit is de 259e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit Heijkoop, Jurgen van Teeffelen en hoogleraar Florentina Hettinga het over:

Sportwetenschap in de praktijk: hoe betrouwbaar is dat onderzoek echt?

Een ijsbad voor optimaal herstel. Zone twee voor het ultieme trainingsresultaat. Magnesium voor ijzersterke spieren. Sociale media staan vol met dit soort claims, allemaal met een wetenschappelijk sausje. Maar hoeveel van die beloftes houden ook echt stand zodra je ze precies naspeurt?

Om die vraag te beantwoorden ging de Slimmer Presteren Podcast in gesprek met Florentina Hettinga, hoogleraar en hoofd van de afdeling Bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij legt uit wat er kan misgaan tussen een studie in het laboratorium en een claim op je tijdlijn, en wat je daar zelf aan kunt doen.

Dat is geen overbodige vraag. Sportwetenschap voedt inmiddels bijna elke trainingskeuze die je maakt, van je hersteltijd tot je voeding. Maar hoe zorgvuldig die wetenschap zelf tot stand komt, blijft voor de meeste sporters onzichtbaar. Hettinga neemt je mee achter de schermen van het proces, van de eerste hypothese tot de publicatie die uiteindelijk op je tijdlijn belandt.

Wat replicatie in de wetenschap precies betekent

Replicatie klinkt ingewikkeld, maar de kern is simpel volgens Hettinga. Een studie is pas repliceerbaar als een andere onderzoeker exact dezelfde aanpak overneemt en tot dezelfde uitkomst komt. Dat vraagt om transparante documentatie van zowel de methode als de data, het uitgangspunt van wat wetenschappers Open Science noemen.

Die transparantie was niet altijd vanzelfsprekend. In het verleden kwamen er fraudezaken aan het licht waarbij onderzoekers, zoals de bekende zaak rond hoogleraar Diederik Stapel, data verzonnen bleken te hebben. Sindsdien hebben universiteiten, waaronder de VU, hun beleid rond data en documentatie flink aangescherpt.

Concreet betekent dat vandaag de dag dat elk experiment aan de VU meteen wordt vastgelegd in een repository, in Nederland heet dat systeem Yoda. Zo hoeft niemand data van jaren geleden nog van een oude computer op te diepen, en kan iedereen die dat wil de onderliggende data van een studie opvragen via het bijbehorende DOI-nummer.

Hoe groot de replicatiecrisis in de sportwetenschap werkelijk is

Hoe hardnekkig het probleem nog is, blijkt uit een grootschalig onderzoek dat in 2025 verscheen in het tijdschrift Sports Medicine. Een internationaal team van meer dan tachtig onderzoekers screende 9.385 sportwetenschappelijke studies en selecteerde daaruit 587 kansrijke kandidaten. Uiteindelijk werden er 25 studies exact overgedaan.

Het resultaat: slechts 28 procent van die 25 studies werd volledig gerepliceerd.

Bij 36 procent kwam er wel een bruikbare, maar afwijkende uitkomst uit, bij 28 procent mislukte de replicatie in de praktijk en de rest bleef inconclusief. Van alle herhaalde studies vond 88 procent een kleiner effect dan de oorspronkelijke publicatie, met een mediane afname van ongeveer 75 procent in effectgrootte.

Waarom sportwetenschap extra gevoelig is voor overdreven claims

Volgens Hettinga speelt er in de sportwetenschap een fundamenteel verschil met bijvoorbeeld medisch onderzoek. Bij een nieuw medicijn vergelijk je het effect in grote groepen patiënten. In topsport draait het juist om dat ene detail dat de winnaar onderscheidt van de rest, en van die winnaar is er maar één.

Dat betekent niet dat een casestudy van een topper waardeloos is, benadrukt Hettinga. Net als bij een zeldzame ziekte in de geneeskunde kan een uniek geval waardevolle inzichten opleveren. Het gaat erom dat je zo’n resultaat anders interpreteert dan de uitkomst van een grote, gecontroleerde trial.

Hoe groot het verschil tussen lab en praktijk kan uitpakken, liet de podcast eerder al zien. In aflevering 146 wees onderzoek uit dat sporten in de avond geen effect had op de slaap. Recentere data uit aflevering 256, verzameld via wearables bij veel meer mensen in hun eigen dagelijks leven, laten juist wel een effect zien.

Die tegenstelling illustreert precies waar Hettinga op wijst. Een gecontroleerd slaaplab meet iets anders dan een horloge dat je maandenlang thuis draagt. Beide metingen zijn wetenschappelijk waardevol, maar ze beantwoorden niet exact dezelfde vraag.

Wat evidence-based handelen voor jouw trainingskeuzes betekent

Hettinga gebruikt hiervoor een principe uit de geneeskunde, vertaald naar sport. Een coach of sporter weegt drie dingen: wat de wetenschap al weet over het onderwerp, wat de eigen ervaring in de specifieke situatie leert, en wat de sporter zelf wil en aankan.

Bij die afweging speelt soms ook het placebo-effect mee, wat volgens Hettinga een reëel, wetenschappelijk aangetoond prestatie-effect kan hebben. Dat maakt het niet minder legitiem om zoiets bewust in te zetten, zolang je weet wat er gebeurt.

Een mooi voorbeeld gaf Hettinga uit haar eigen onderzoekspraktijk. Bij de voorbereiding van het werelduurrecord van wielrenster Leontien van Moorsel berekende haar team, destijds met onder anderen Jos de Koning van de VU, de meest aerodynamische zitpositie op de fiets. Wetenschappelijk gezien zou een zo laag mogelijke houding de meeste tijdwinst opleveren.

Het team deed ook efficiëntiemetingen, want een te lage houding zou in theorie juist ten koste kunnen gaan van hoe soepel Van Moorsel energie kon vrijmaken. Dat effect bleek in de praktijk mee te vallen.

Toch koos het team niet voor de theoretisch optimale positie. Van Moorsel moest de houding immers een uur lang volhouden en er vertrouwen in hebben. Het team berekende per graad hoeveel tijdwinst een lagere positie zou opleveren en besprak dat met haar, tot ze op een houding uitkwamen die sneller én haalbaar was. Het record werd gehaald.

Hoe je zelf de bewijskracht van een studie inschat

Niet elk onderzoek heeft dezelfde bewijskracht. Beschrijvende en correlationele studies staan onderaan de ladder, gevolgd door experimentele studies. Pas een randomized controlled trial, waarbij een interventiegroep vergeleken wordt met een controlegroep en idealiter een placebogroep, toont een daadwerkelijk oorzakelijk verband aan. Een meta-analyse combineert de resultaten van meerdere van dat soort studies en heeft daardoor de hoogste bewijskracht.

Voordat een studie zover komt, wordt hij peer reviewed. Minstens twee onafhankelijke wetenschappers beoordelen de methode en de resultaten voordat een tijdschrift het artikel accepteert. Bij de meeste vaktijdschriften ligt de acceptatiegraad rond de twintig procent. Hoe streng dat proces is, verschilt wel per tijdschrift, waardoor er ook zogeheten predatorjournals bestaan die vrijwel alles publiceren.

Ook de manier van reviewen verschilt. Bij sommige tijdschriften weten de reviewers wie de auteur is, bij andere gebeurt de beoordeling juist enkel- of dubbel anoniem, en er zijn ook journals waarbij het hele proces openbaar is. Al die vormen hebben hetzelfde doel: een kwaliteitscontrole voordat een claim de wereld in gaat.

Hoe kwetsbaar dat systeem kan zijn, bleek uit een experiment van wetenschapsjournalist Stan van Pelt voor zijn boek Sloppy Science. Hij liet een artikel over telepathie volledig door AI schrijven en stuurde het in bij een wetenschappelijk tijdschrift. Het werd geaccepteerd.

Volgens Hettinga zegt de impactfactor van een tijdschrift daarom minder over de kwaliteit dan je zou denken. Belangrijker is of het tijdschrift open access publiceert en zorgvuldig reviewt. Zelf is ze onder meer betrokken bij een tijdschrift dat volledig Diamond Open Access werkt, zonder uitgever die geld verdient aan het proces, met de kennis gratis toegankelijk voor iedereen.

Een journal met een gedegen review komt bovendien terecht in wetenschappelijke databases zoals Scopus of Web of Science. Staat een tijdschrift daarin geïndexeerd, dan weet je in elk geval dat er twee onafhankelijke wetenschappers naar het artikel hebben gekeken voordat het gepubliceerd werd.

Waarom je in het nieuws zelden een meta-analyse tegenkomt

Als een meta-analyse zoveel bewijskracht heeft, waarom lees je die dan bijna nooit terug in een nieuwsbericht of op social media? Volgens Hettinga zit dat in de aard van het proces. Een meta-analyse kan pas gemaakt worden nadat er al genoeg losse studies zijn gepubliceerd, terwijl een journalist of influencer juist op zoek is naar het nieuwste, meest actuele resultaat.

Een enkele correlationele studie is sneller klaar en oogt spannender dan een analyse die soms wel tientallen bestaande onderzoeken samenvat. Zeker als zo’n eerste studie ook nog eens onafhankelijk wordt bevestigd door meer onderzoekers, groeit hij vanzelf uit tot een grotere studie of, uiteindelijk, tot een meta-analyse. Op dat punt in het proces is het nieuws er allang geweest.

Waarom niet ieder onderzoeksresultaat het nieuws haalt

Een ander mechanisme dat de betrouwbaarheid van sportwetenschap onder druk zet, is publicatiebias. Onderzoek dat een duidelijk effect laat zien, wordt volgens Hettinga makkelijker gepubliceerd dan onderzoek waarbij niets uitkomt. Daardoor lijkt het soms alsof een methode overal werkt, terwijl er meerdere mislukte studies onopgemerkt in een la liggen.

Om dat te doorbreken registreren onderzoekers hun hypothese steeds vaker vooraf in een openbaar register, een gewoonte die overwaait uit de medische wereld, waar een nieuw medicijn altijd vooraf wordt aangemeld in een trialregister. Zo wordt een studie sowieso gepubliceerd, ook als de uitkomst tegenvalt.

Dat voorkomt ook dat een onderzoeker onderweg alsnog een andere, wel spectaculaire conclusie gaat zoeken in dezelfde dataset. Die valkuil heeft een naam: als je achteraf je hypothese aanpast aan wat de data toevallig laat zien, weet je niet meer of het om een echt effect gaat of om een toevalstreffer.

Ook bij financiering vanuit de industrie is transparantie de sleutel. Nederlandse fabrikanten van compressiekousen claimen bijvoorbeeld dat hun product wetenschappelijk is onderzocht. Dat klopt ook, maar dat onderzoek richt zich vooral op hoe prettig sporters de kousen vinden, niet per se op een fysiologisch prestatie-effect. Wie de bron erbij pakt, ziet dat verschil meteen.

Hoe je AI kunt gebruiken zonder erin te trappen

Kunstmatige intelligentie verandert ook de manier waarop wetenschap tot stand komt en wordt gecheckt. Hettinga ziet vooral kansen: voor niet-Engelstalige onderzoekers is AI een handige tekstverwerker om artikelen beter leesbaar te maken. Tegelijk waarschuwt ze dat AI regelmatig referenties verzint en nog niet betrouwbaar genoeg is om zelf wetenschappelijke claims te onderbouwen.

Datzelfde risico geldt voor jou als sporter die een chatbot om advies vraagt. Vraag je bijvoorbeeld of bietensap je prestatie verbetert, dan antwoordt een AI al snel volmondig ja, met een paar referenties erbij. Pas als je expliciet doorvraagt of er wetenschappelijke discussie over bestaat, krijg je een genuanceerder antwoord.

Bietensap is daar een goed voorbeeld van. Eerder onderzoek in het lab liet een prestatie-effect zien bij ongetrainde sporters, maar Hettinga deed dat experiment recent over bij getrainde sporters die thuis op Zwift trainden. Daar bleef het effect grotendeels uit, mogelijk doordat de sociale factoren en verwachtingen van een lab thuis ontbreken. Ook over bietensap maakte de podcast eerder al een aflevering.

Betekent dit alles dat je sportwetenschap niet meer kunt vertrouwen? Hettinga relativeert dat bewust. De replicatiecrisis gaat vooral over onderzoek van voor deze aanscherpingen.

Open Science staat inmiddels al zo’n vijf jaar hoog op de agenda bij universiteiten in binnen- en buitenland, en dat bewustzijn groeit nog steeds. Dat maakt nieuw onderzoek een stuk transparanter dan vijf jaar geleden, ook al blijft niet elk land daarbij in hetzelfde tempo meegaan.

Praktische take-aways

Check de bewijskracht voordat je een claim gelooft

Een studie met een handvol deelnemers zegt minder dan een meta-analyse die tientallen onderzoeken samenvoegt. Zoek bij een opvallende claim eerst of er ook een meta-analyse over bestaat.

Concreet: typ bij een spectaculaire trainingsclaim de zoekterm plus “meta-analysis” in een wetenschappelijke zoekmachine voordat je de claim overneemt.

Vertaal labresultaten naar je eigen situatie

Een effect in een gecontroleerd laboratorium met studenten geldt niet automatisch voor jouw regenachtige intervaltraining. Vraag jezelf af of de onderzoeksomstandigheden op jouw praktijk lijken.

Concreet: check bij een studie de onderzoeksgroep, denk aan leeftijd, trainingsniveau en omgeving, en vergelijk die met je eigen situatie voordat je de conclusie overneemt.

Vraag een AI-chatbot altijd naar de tegenargumenten

Een chatbot geeft bij een directe vraag al snel een volmondig ja, compleet met referenties. Pas als je doorvraagt, hoor je de nuance.

Concreet: vraag expliciet “is hier wetenschappelijke discussie over” voordat je een AI-antwoord over een supplement, trainingsmethode of hersteltechniek vertrouwt.

Hoe bepaalt de Slimmer Presteren Podcast welke wetenschappelijke bronnen zij vertrouwen?

Tijdens de afleveringen horen we ook de vraag van Victor, die zich dit afvraagt. Daarom heeft Jurgen daar het volgende over geschreven:

Lijst van belangrijkste wetenschappelijke tijdschriften (journals) waar de SPP zijn artikelen en studies vandaan haalt:

PubMed vormt de basis zoekmachine waarin alle relevante biomedische artikelen te vinden zijn. Hierin kun je zoeken op onderwerp of auteur en filteren op soort artikel (review, meta-analyse, et cetera), waarna een lijst verschijnt met potentieel interessante studies. Die kun je een voor een aanklikken waarna je het abstract te lezen krijgt en toegang tot het hele artikel via het tijdschrift waarin het gepubliceerd is. Zie https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/

Dit lukt sowieso voor alle ‘Open Access’ tijdschriften, bij andere moet je soms een abonnement hebben of kun je het aanvragen via Research Gate bij de desbetreffende auteur. (Of je hebt contacten bij een universiteit(sbibliotheek) die op bijna alle tijdschriften wel een abonnement heeft). Zie https://www.researchgate.net/

Voor de kwaliteit van een tijdschrift kun je afgaan op de ‘Science Citation Index’, ‘H-index’ of de SCI Journal Rank, zie bijvoorbeeld: https://www.scimagojr.com/journalrank.php?category=3699&order=sjr&ord=desc

Over het algemeen geldt: hoe hoger de ranking, hoe beter het tijdschrift. Maar zoals je ziet heeft elk tijdschrift ook weer zijn eigen specialistische onderwerpen, zoals fysiologie, sportgeneeskunde, traumatologie, sportpsychologie etc.

De Slimmer Presteren Podcast komt, op basis van de ruim 250 afleveringen tot nu toe, hierbij het vaakst uit op de volgende tijdschriften:

Sports Medicine – https://link.springer.com/journal/40279

British Journal of Sports Medicine – https://bjsm.bmj.com/

Journal of Physiology – https://physoc.onlinelibrary.wiley.com/journal/14697793

American Journal of Physiology – https://journals.physiology.org/

Journal of Applied Physiology – https://journals.physiology.org/journal/jappl

Scandinavian Journal of Medicine & Science in Sports – https://onlinelibrary.wiley.com/journal/16000838

Medicine & Science in Sports & Exercise – https://journals.lww.com/acsm-msse

Journal of Strength and Conditioning Research – https://journals.lww.com/nsca-jscr

Frontiers in Physiology – https://www.frontiersin.org/journals/physiology

European Journal of Sports Science – https://www.tandfonline.com/toc/tejs20/current

International Journal of Sports Physiology and Performance – https://journals.humankinetics.com/view/journals/ijspp/ijspp-overview.xml

En heel af en toe halen we een studie aan uit een ‘topjournal’ als:

Science – https://www.science.org/journal/science

Nature – https://www.nature.com/nature/

Scientific Reports – https://www.nature.com/srep/

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat is replicatie in wetenschappelijk onderzoek?
Replicatie betekent dat een andere onderzoeker een studie exact kan overdoen op basis van de gepubliceerde methode en data, en daarbij dezelfde uitkomst krijgt. Florentina Hettinga noemt transparante documentatie hiervoor de basis: je moet je methode en je data zo vastleggen dat een collega elders precies kan naspelen wat je hebt gedaan. Dat principe heet Open Science en is er om te voorkomen dat resultaten berusten op toeval, slordigheid of, in het ergste geval, gefabriceerde data.

2. Wat betekent de replicatiecrisis voor de betrouwbaarheid van sportwetenschap?
Een grootschalige studie uit 2025 selecteerde 587 kansrijke sportwetenschappelijke studies en liet er uiteindelijk 25 exact overdoen. Slechts 28 procent werd daarbij volledig gerepliceerd, en 88 procent van de herhaalde studies vond een kleiner effect dan het origineel, met een mediane afname van ongeveer 75 procent. Dat betekent niet dat sportwetenschap waardeloos is, benadrukt Hettinga, maar wel dat een enkele studie nooit het laatste woord mag hebben over jouw training.

3. Waarom is sportwetenschap extra gevoelig voor overdreven claims?
Sportonderzoek wordt vaak gedaan met kleine, homogene groepen zoals jonge, mannelijke studenten, terwijl claims vervolgens voor alle sporters moeten gelden. Bovendien draait topsport om dat ene detail dat de winnaar onderscheidt van de rest, en van die winnaar is er maar één. Volgens Hettinga vraagt dat om een andere manier van interpreteren dan bij grote, medische trials met honderden proefpersonen, waarbij juist het gemiddelde effect het meest bepalend is.

4. Welke bewijskracht heeft een losse studie ten opzichte van een meta-analyse?
Een meta-analyse bundelt de resultaten van meerdere onderzoeken uit verschillende landen en filtert daarmee toevalstreffers eruit, waardoor de bewijskracht het hoogst is. Een losse studie, zeker met weinig proefpersonen, is eerder een eerste aanwijzing dan hard bewijs, een puzzelstukje in een groter geheel. Hettinga adviseert daarom om bij een opvallende claim altijd te zoeken of er ook een meta-analyse over hetzelfde onderwerp bestaat, voordat je de conclusie zomaar overneemt.

5. Wat kun je zelf doen om een sportwetenschappelijke claim te checken?
Kijk of er een bronvermelding bij de claim staat en of die naar een peer reviewed tijdschrift verwijst, want dat betekent dat er al minstens twee onafhankelijke wetenschappers naar hebben gekeken. Vraag bij financiering vanuit een fabrikant of het onderzoek fysiologisch effect of alleen ervaren comfort meet. Gebruik je een AI-chatbot voor advies, vraag dan altijd expliciet of er wetenschappelijke discussie over het onderwerp bestaat, in plaats van simpelweg of iets werkt.

Video over betrouwbaarheid van de sportwetenschap volgens hoogleraar Florentina Hettinga:

https://www.youtube.com/watch?v=G3Rjo9JyS7M

3 reacties op “259. Hoe betrouwbaar is sportwetenschap eigenlijk?”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *